Citaten uit juryrapporten

Citaten uit de juryrapporten van de Anton Wachterprijs

1977 Frans Kellendonk - Bouwval
1979 Patrizio Canaponi - Een gondel in de Herengracht
1981 Burgstedde - Mijn boosaardige zuster Elektra
1984 Tessa de Loo - De meisjes van de suikerwerkfabriek
1986 Wessel te Gussinklo - De verboden tuin
1988 Gijs IJlander - De kapper
1990 Herman Stevens - Mindere goden
1992 Paul Verhuyck - De doodbieren
1994 Arnon Grunberg - Blauwe maandagen
1996 Nanne Tepper - De eeuwige jachtvelden
1998 Sipko Melissen - Jonge mannen aan zee
2000 Marek van der Jagt - De geschiedenis van mijn kaalheid
2002 Ilja Leonard Pfeiffer - Rupert. Een bekentenis
2004 Arjan Visser - De laatste dagen
2006 Christiaan Weijts- Art.285b
2008 Anne-Gine Goemans- Ziekzoekers

1977 Frans Kellendonk - Bouwval

Kellendonk biedt als een bouwheer overzichtelijkheid en doelmatigheid waardoor hij de lezer in alle onderdelen van zijn schriftuur gerieft. Hij is als schrijver een echte architect van een verhalenhuis waarin de lezer zich thuis kan voelen omdat er ouderwetse schrijfmacht in terug te vinden is. Dat wil zeggen: onvoorspelbaarheid in verloop en intriges, oorspronkelijkheid van personen en situaties, geheel op zichzelf staande verrassende beeldkracht.

En:

In aansluiting op de gerezen discussie over de al dan niet typische aard of het tot een school behoren van het werk van Kellendonk willen wij in alle onschuld stipuleren dat wij deze schrijver in hoge mate als een meester van de anekdote hebben genoten en gewaardeerd en dat we dat blijven doen ook al wordt ons van bepaalde zijde ingehamerd dat de man en zijn werk tot het academische behoren. Een zin als ‘De dagen liepen nog krom onder de winter toen uit het duister van de buitenwereld de heer Cranckx de stationsrestauratie binnenwandelde’, zo’n zin die zich met gemak met tal van andere voorbeeldige citaten laat vermeerderen, vinden wij helemaal geen weinig effect sorterende woordkunst maar gewoon pakkende, persoonlijke stijl.


1979 Patrizio Canaponi – Een gondel in de Herengracht

Nauwelijks minder imponerend is het gemak waarmee Canaponi een eenmaal gekozen perspectief consequent volgt en volledig uitbuit. Ongeveer zoals zijn kleine held Attilio zijn lijn trekt door het landschap rondom zijn ouderlijk huis (in het vierde verhaal uit deze bundel), zo kiest Canaponi in elk verhaal een ander uitgangspunt wat persoon, leeftijd en ‘Umwelt’ betreft. Aanvankelijk krijgt de lezer de indruk dat de sprongen in tijd en omgeving nogal groot en willekeurig zijn. Maar gaandeweg ontdekt hij dat de vijf verhalen uit deze bundel nauw samenhangen.


1981 Burgstedde – Mijn boosaardige zuster Elektra

De jury waardeert niet alleen datgene wat Burgstedde schreef, maar ook dat wat hij wegliet. Zelf zegt hij, misschien mede om de geringe omvang van zijn werk te verklaren, ‘Het geheim van het vervelen is alles te zeggen.’ Inderdaad is Burgsteddes kunst de kunst van het weglaten, de kunst van de toespeling. En vervelen doet hij ons al helemaal niet, temeer daar zijn zinnen regelmatig niet de neiging kunnen weerstaan om zich te verzelfstandigen tot belangwekkende aforismen zoals ‘Niets dat op de juist wijze verborgen werd, is onvindbaar’ of ‘Rond kathedralen kan alleen maar nietigheid bestaan’.


1984 Tessa de Loo – De meisjes van de suikerwerkfabriek

Tessa de Loo heeft al deze ervaringen, gedachten en gebeurtenissen weergegeven met een fijn gevoel voor enerzijds het bloedernstige ervan en anderzijds de koldereske kanten scherp belicht. Zij is niet bezweken voor de verleiding van een overaccentuering van het belangrijke; zij durft zich emotioneel kwetsbaar op te stellen. In dit op zich doet zij denken aan de naïeve, maar tegelijkertijd zo ontwapenend eerlijke hoofdpersoon uit Op hoge hakken. Op de platte sloffen van het cynisme is het heel wat gemakkelijker lopen, maar de lezer wordt meer geboeid door een wankel evenwicht tussen gevoel en spot.


1986 Wessel te Gussinklo – De verboden tuin

Van zijn hoofdpersoon, het jongetje Ewout, krijgen we niet alleen te lezen wat hij doet en wat hij denkt, maar ook wat hij ìs in relatie tot zijn omgeving. Nog moeilijker te vatten en te beschrijven dan de gedachtenwereld van een kind is diens belevingswereld, en daar lijkt Wessel te Gussinklo in hoge mate in geslaagd te zijn. Hoe volwassener je wordt, hoe meer je vergeet van je kinderjaren, maar bij het lezen van De verboden tuin denk je voortdurend: ja, zo was het ongeveer, die emotie, dat gevoel was ik vergeten… Maar hij blijkbaar niet!


1988 Gijs IJlander – De kapper

Zonder te vervallen in simplistisch gemoraliseer heeft IJlander het slecht functioneren beschreven van het geweten van een aannemer die in de oorlog voor de Duitsers werkte. Daarbij maakte hij op trefzekere wijze gebruik van de persoon van een kapper die regelmatig bij de aannemer op bezoek komt om deze te knippen en scheren. […] Deze kapper kan evengoed een bestaande persoon zijn als, enkel maar, het slechte geweten van de aannemer. Zelfs is een interpretatie denkbaar die de figuur van de kapper laat samenvallen met de ik-figuur (de neef van de aannemer) uit deze roman. Het werk krijgt daardoor iets hallucinatorisch dat voor een licht vervreemdend effect zorgt, waardoor ook de zwaarte van de aangesneden problematiek enigszins wordt getemperd.


1990 Herman Stevens – Mindere goden

Deze auteur is er in geslaagd een roman te schrijven die excelleert door zijn logische en meeslepende opbouw. […] Hoe humoristisch en vernuftig geconstrueerd de intrige ook mag zijn, Mindere Goden is meer dan alleen een geestig en intelligent geschreven boek. Herman Stevens heeft ook oog voor psychologische nuances.


1992 Paul Verhuyck – De doodbieren

Wat er nu precies gebeurt in het café, en wat daaraan zo bijzonder is, wordt de lezer eerst langzamerhand duidelijk. De roman stort een bonte reeks cafébezoekers over hem uit. Er zijn zoveel uiteenlopende levenservaringen en reacties die zijn aandacht vragen, dat de lezer al evenzeer in een roes raakt als de cafébezoekers zelf. Maar gaandeweg wordt een aantal randvoorwaarden voor het euforisch gebeuren duidelijk. Iedereen kan vrijuit snoeven: ‘Het Blazoen was de kroeg waar men zijn trots kon meebrengen, de fierheid die elders niet van toepassing was.’


1994 Arnon Grunberg – Blauwe maandagen

Hoe eigentijds, voor jongere lezers ongetwijfeld tot in zijn details herkenbaar, de inhoud ook is, het is toch iets anders dat Blauwe maandagen zo bijzonder maakt: dat is de volstrekt eigen toon, de karakteristieke stem die uit de roman opklinkt. Het is, met een dezer dagen weer actuele metafoor, een boek met een hoog Philip Bloemendal-gehalte: heb je eenmaal de stem gehoord, dan herken je hem uit duizenden. Grunbergs stem is ironisch, schiet wel eens door naar grof-agressief, maar de ontwikkeling kan ook omgekeerd zijn: agressie wordt dan gerelativeerd door een zelf-ironiserende afsluitende opmerking.


1996 Nanne Tepper – De eeuwige jachtvelden

De sarcastische ondertoon, waarvan we al in vele gesprekken in de beide eerste delen hebben kunnen genieten, stijgt [in het derde deel] diverse malen tot een angstaanjagende scherpte. Toch kan niet gezegd worden dat De eeuwige jachtvelden een bitter, opstandig of destructief boek is. De veeleisende, aanvankelijk frigide Lisa is natuurlijk een kreng van een meid. En haar broer Victor is, met al zijn geredeneer, een ontstellende zak. Maar je hebt als lezer eigenlijk voortdurend met hen te doen. Een niet geringe prestatie van de auteur: dit vasthouden van een onderliggende toon van weemoed en begrip.


1998 Sipko Melissen – Jonge mannen aan zee

Deze voor onze tijd uitzonderlijke Bildungsroman is met veel zin voor mozaïek en statuur geschreven, vanuit een scherpe intelligentie, droog soms, maar zeer sfeervol. Vestdijk die er trouwens met zijn herinneringen ook in voorkomt, zal uit zijn stoeltje zeer tevreden toezien bij Melissens geslaagde stunt in het moeilijkste genre. Hij zou meegenoten hebben van de slag voor het landschap in dit boek.


2000 Marek van der Jagt – De geschiedenis van mijn kaalheid

Hier wordt de deur nog eens mild, wijs, nonchalant, secuur en cynisch op een kier gezet voor de cultuur die ons in de nieuwe eeuw voor altijd dreigt te ontgaan. Daarom moest dit boek wel de geschiedenis van een zonderlinge amour-fou zijn. Een hedendaagse ontwikkelingsroman uit het voorbije Oostenrijk waar men nog leeslinten waardeert in de oertekst.

En:

We zijn thuis, het boek heeft alle andere boeken achter zich gelaten en overbodig gemaakt. Dit is het zoveelste gelukkig makende debuut dat leert dat hele kleine geschiedenissen zo belangrijk kunnen zijn.


2002 Ilja Leonard Pfeiffer – Rupert. Een bekentenis

De stijl is barok, bombastisch vaak (we hebben uiteraard te maken met een begaafd spreker, die zich uit een penibele situatie moet redden), maar soms ook kort en zakelijk, en heel vaak humoristisch. Er is eigenlijk geen enkele roman in de Nederlandse literatuur die hiermee te vergelijken valt. […] Het meest in de buurt komt echter Vestdijks meesterwerk Meneer Vissers hellevaart (1936), evenzeer gekenmerkt door allusiviteit, stijlexperimenten en een personage dat een katabasis in de ‘krochten van de eigen ziel’ ondergaat. Het is in deze eerbiedwaardige traditie dat deze virtuoze roman zich heeft ingeschreven en waarvoor Pfeijffer de Anton Wachter Prijs 2002 heeft verdiend.


2004 Arjan Visser – De laatste dagen

Wie De laatste dagen leest, moet doorgaan, ondanks veel vuiligheid. Inhoud en stijl dwingen daartoe. Visser beschrijft met mededogen wat zijn verbeelding bij hem opriep. Als de afloop van dit bizarre drama bekend is, zal menigeen terug willen gaan naar het begin van het boek om de bevindingen van de zenuwarts nog eens na te lezen en te toetsen. Wie de lezer zover krijgt, is als schrijver van fictie in hoge mate geslaagd.


2006 Christiaan Weijts – Art.285b

Art.285b van Christiaan Weijts (1976) is, aldus een fragment uit het voorlopig juryrapport, ‘een magnifieke evocatie van de onmacht van een jongeman die zich verslingert aan een fotomodel dat de regie van deze raadselachtige relatie strak in de hand weet te houden. Datgene wat Vestdijk vrouwendienst noemde, krijgt hier een dimensie erbij. Deze vorm van vrouwendienst, waarbij de man onderhorig is aan de glossy cameranimf die hem uiteindelijk zelfs voor het gerecht sleept, werd nog niet eerder zo dwingend beschreven. In fraai proza waarin de schrijver soms op de tast taal zoekt om deze mannelijke afhankelijkheid te verwoorden, wordt een nieuwe wereld geschetst waarin de vrouw haast vanzelfsprekend alle macht naar zich toetrekt.’

2008 Anne-Gine Goemans – Ziekzoekers

'Opmerkelijk is de flitsende, trefzekere verteltrant. Bij alle drama blijft de toon toch licht, en de schrijfster beschikt bovendien over een opmerkelijk gevoel voor humor. Het taalgebruik van Goemans is bijzonder, haar dialoog doorgaans uitmuntend, met dien verstande dat de protagonisten in haar roman doorgaans volledig langs elkaar heen praten zodat er strikt genomen van echte communicatie geen sprake is, hetgeen vaak een hilarisch effect sorteert. Hoewel de roman voornamelijk in de bollenstreek speelt, en flink veel, misschien zelfs iets teveel, drama bevat, kan toch niet van een streekroman gesproken worden. Eerder van een tragische familieroman omdat de verhoudingen tussen vader en zoon, vader en dochter, moeder en dochter, man en vrouw, broer en zus allemaal blijvende averij hebben opgelopen (die tussen moeder en zoon overigens nog ’t minst), zij het dat er warempel aan het slot nog hoop gloort op verbetering der verstoorde relaties. Ziekzoekers is een even knappe als compacte roman, waarvan een sterk opmonterende werking uit gaat.'