Interview Christiaan Weijts -
‘Zodra mensen zich gretig op het autobiografische storten, haak ik af’
Een interview met Christiaan Weijts
door Caroline Mulder
Christiaan Weijts (1976) is redacteur van Mare, het weekblad van de universiteit van Leiden. Daarnaast is hij sinds 2006 columnist voor nrc.next. De columns die hij schreef voor Mare werden in 2003 gebundeld onder de naam Sluitingstijd. In 2006 verscheen zijn debuutroman Art. 285b. Het werd enthousiast onthaald door de pers en won de Anton Wachterprijs, bovendien stond het op de shortlist van de AKO Literatuurprijs 2006. Het boek vertelt het verhaal van Sebastiaan Steijn, pianoleraar te Leiden en achtergrondpianist in een Amsterdams restaurant. Sebastiaan leidt een dubbelleven. Hij wordt betoverd door twee heel verschillende muzes: een stripteasedanseres en een Italiaanse pianoleerlinge. Wanneer hij door een van hen aangeklaagd wordt wegens stalking, gooit dat zijn leven overhoop. Hij ziet zich genoodzaakt een reconstructie te maken van de gebeurtenissen die zich afspeelden voorafgaand aan de aangifte. De roman vormt hiervan het resultaat.
‘Bij een kleine uitgeverij in Leiden, Desolation Row, had ik al een verzameling columns uitgebracht, Sluitingstijd (2003). Dit stuurde ik naar De Arbeiderspers, als een soort visitekaartje en bewijs van mijn kunnen. Een vriendin die vertrouwd was in het wereldje raadde me aan het naar redacteur Peter Nijssen te sturen. Die belde me de dag erop onmiddellijk op. We moesten eens praten. Ik bekende dat ik wel plannen voor een roman had. Nog diezelfde middag was het contract toegezegd. Niettemin zat er tussen het tekenen van het contract en de verschijning van Art. 285b toch nog drie jaar. Dat kwam vooral omdat ik er zelf de tijd voor wilde nemen. Debuteren doe je immers maar één keer. Gelukkig dacht de uitgever daar net zo over.
Toen eenmaal de kopij was ingeleverd, had ik werkelijk geen idee hoe het met het boek zou gaan lopen. Natuurlijk, ik was overtuigd van de kwaliteit van het werk, maar kon moeilijk inschatten hoe de buitenwereld er tegenaan zou kijken. Er verschijnen zo’n honderd debuten per jaar. In mijn geval kwamen er al gauw juichende recensies en daarna ging het hard. Op dat moment ging ik me ook oriënteren op mogelijke prijzen. De Anton Wachterprijs, dat leek me een hele mooie om te winnen. Vooral vanwege het rijtje voorgangers, met Frans Kellendonk, A.F.Th. van der Heijden en Arnon Grunberg. Dat was het plafond dat ik voor ogen had. Het was een grote verrassing dat het boek genomineerd werd voor de AKO-Literatuurprijs, een categorie waar ik niet serieus rekening mee had gehouden.
Er is veel geschreven over je debuutroman. Heb je het gevoel dat de literaire kritiek inhoudelijk recht doet aan je werk?
Over het algemeen wel. De hoofdlijnen worden vaak aardig belicht, evenals de thematiek. Het komt echter ook voor dat ik recensies lees en denk: gaat dit over míjn boek? Zelfs in het juryrapport van de Anton Wachterprijs las ik iets geks. Het personage Victoria Fabers wordt er als ‘fotomodel’ opgevoerd, terwijl haar voornaamste broodwinning en functie in de roman toch die van stripteasedanseres is. Recensent Kees ’t Hart, in De Groene Amsterdammer, maakt ook wat onnavolgbare stappen. Hij wijst bijvoorbeeld op de beginzin: ‘Laat je niks wijsmaken, het begint allemaal heel onschuldig’, om vervolgens verontwaardigd uit te roepen: maar dit boek wil je juist van alles wijsmaken, en het begint helemaal niet onschuldig, want hij bezoekt een peepshow! Toch doet zo'n reactie me niet zoveel. Dat zou wel anders zijn als de recensenten niet overwegend lovend waren geweest.
De jury van de AKO-literatuurprijs en critici spreken met betrekking tot je roman over een 'post-9/11-epos', een totaaltheater van deze tijd, een feministische tsunami. Ben jij als debutantschrijver inderdaad een geheel nieuwe weg ingeslagen in de Nederlandse letteren?
Ik ben me niet zo bewust van maatschappelijke betrokkenheid of post-9/11-gedachten. 9/11 dient bij mij juist als decor, net als de moord op Pim Fortuyn. De overdreven aandacht voor die gebeurtenissen heb ik juist geprobeerd te bagatelliseren door ze een bescheiden plaatsje in de achtergrond van het decor toe te bedelen. Maar inderdaad: er is iets veranderd na die twee gebeurtenissen, of na het aanbreken van het nieuwe millennium in het algemeen. Die tendensen signaleren vind ik wel interessant. Alleen gaat het dan meer om de rol van internetporno, de veranderde man-vrouwverhoudingen, de rol van moderne communicatiemiddelen. Politiek heeft mij altijd maar matig kunnen boeien.
Geerten Meijsing vergeleek je in zijn recensie in Vrij Nederland met ‘Houellebecq, maar dan een met humor’, en met A.F.Th. van der Heijden en Gerard Reve. Elsbeth Etty schreef in haar bespreking in NRC Handelsblad ‘Multatuli meets Philip Roth’. Kun je je in die vergelijkingen vinden?
Houellebecq met humor vond ik, met alle respect voor Meijsing, toch wat curieus, omdat ik Houellebecq juist ontzettend geestig vind. Het is een van die zeldzame auteurs die erin slagen je tijdens het lezen hardop aan het lachen te maken. Maar inderdaad, er zit iets Houellebecqiaans in bepaalde passages, vooral de passages in de ikvorm geschreven, die waarin we de weg naar het proces van stap tot stap volgen. Die passages zijn het meest cynisch, maar cynisme werkt niet prettig als je dat niet op een geestige manier opschrijft. Vaak is het voldoende om je gewoon aan de feiten te houden. De werkelijkheid sec weergeven is vaak extreem geestig. Die passages behoren tot de meest autobiografische, om de mensen met honger naar echt gebeurd dan toch maar even tevreden te stellen. Multatuli is wat ver gezocht; het sloeg waarschijnlijk vooral op het Multatuligrapje waarbij Sebastiaan Steijn ‘de pen opneemt’. Roth ben ik na die recensie van Etty eens gaan lezen. Misschien die bezeten toon, dat tikkeltje puberale, wie zal het zeggen. Het staat iedereen vrij om associaties te hebben naar welke auteur ze maar willen. Het meest gevleid ben ik eigenlijk door de link met A.F.Th. en Reve. Van der Heijden sprak me er onlangs nog over aan, dat ik volgens Meijsing zijn meerdere was in de beschrijving van seksuele scènes. Hij zou het eens gaan lezen.
Op jouw website hebben ook verschillende lezers een reactie achtergelaten op Art. 285b. Een aantal lezers reageert op het onderwerp stalking, sommigen hebben daar zelf ervaring mee gehad. Een lezer schrijft: ‘(…) Verder ben je als stalker al bij voorbaat veroordeeld. Romantici worden met tekst en al verbrand. Is dat nog allemaal in het belang van vrouwen?’ Maar op diezelfde website gebruik je als motto de uitspraak van Nabokov: ‘To say a story is a true story is an insult to both art and life.’ Hebben deze lezers de essentie van jouw boek begrepen?
Ik vrees van niet. Hoewel iedereen wel weet dat je fictie en werkelijkheid niet zomaar mag verwarren is de neiging dat toch te doen heel hardnekkig. Zo zat ik laatst in Heerhugowaard, waar ik kwam voorlezen, eindeloos met een meisje in discussie die haar eigen ex voor stalking had aangegeven. Aan de andere kant vind ik die aandacht voor het strikt juridische ook weer geen ramp, want het is een belangrijk onderwerp. Maar zodra mensen zich gretig op het autobiografische storten, haak ik meestal af. Zo wilde een regionaal radiostation laatst dat ik naar hun studio afreisde, om daar een kwartier te praten, ‘en dan ook en vooral over uw eigen zaak’. Dan denk ik: kun jij niet doodgaan of zo? Ik geloof dat ik meestal wel iets uit mijn eigen leefwereld als uitgangspunt neem, en op een bepaalde manier verwerk, maar het schrijven van een roman heeft eerder iets weg van het demonteren van de werkelijkheid om deze vervolgens opnieuw te monteren in een wereld in woorden, waarbij noodzakelijkerwijs een hoop fictie binnenkomt. Ik vind het niet belangrijk dat lezers van elk onderdeel de exacte herkomst hoeven te weten. In een restaurant is het ook niet altijd nodig de exacte weg te kennen die de verschillende ingrediënten hebben afgelegd.
In een interview met Martijn Meijer in NRC Handelsblad zeg je: 'Dader of slachtoffer, bespeler of bespeelde: ik wilde laten zien dat die rollen soms moeilijk te onderscheiden zijn.' Wat voor reacties van vrouwen krijg je op je roman, zijn die anders dan de reacties van mannen? Heeft jouw hoofdpersoon bij vrouwelijke lezers aan sympathie gewonnen?
Vrouwen reageren heel verschillend. Tegen mij direct zijn ze eigenlijk altijd vol lof, maar op websites kom ik nog wel eens iets tegen als: Bah, wat een vrouwonvriendelijk boek! (zie de recensies bij Bol.com). Maar inderdaad, over het algemeen kan Sebastiaan Steijn meer op sympathie bij mannen rekenen, die vaak iets herkennen, terwijl de vrouwen sommige van zijn opvattingen in het beste geval een beetje vergoelijken, omdat er ook genoeg woestromantische en gevoelige passages in staan die het bij een bepaald type vrouw beter doen. De afscheidsscène met Rosa op de brug is daar een voorbeeld van, zo blijkt.
Natuurlijk, soms heeft Sebastiaan opvattingen die, hoe zal ik het zeggen, niet noodzakelijkerwijs stroken met die van de fatsoenlijke burger, en zelfs niet met mijn opvattingen. Dat neemt niet weg dat ik hem hier en daar toch gelijk moet geven.
Hoe belangrijk is het literaire podium voor het bereiken van je publiek?
Tot nu toe heb ik een paar keer voorgelezen en ben ik geïnterviewd in het openbaar. Daar bereik je zeker een lezerspubliek mee en je ziet al die mensen dan ook in levende lijve, wat soms plezierig is en soms onplezierig. In alle ernst vragen mensen aan je of je met pen en papier schrijft of met een tekstverwerker. Maar voor de verkoop is het niet slecht. Daarnaast helpen podia om jezelf te scholen in de voordrachtkunst. Dat is iets totaal anders dan schrijven. Het lijkt meer op het uitvoeren van muziek. Sommige passages uit Art. 285b die zich goed voor voordracht lenen heb ik in mijn voorleesexemplaar voorzien van muzikale aanwijzingen, crescendo's en cadensen, rusten en orgelpunten.
Kun je stellen dat het schrijven van een roman vergelijkbaar is met het componeren van een muziekstuk?
Daar zit zeker wat in, in die gedachte. Na elke passage de boel teruglezen, luisteren hoe het klinkt, links en rechts een accentje verplaatsen, en tegelijkertijd oog houden voor de grote lijn. Ja, het heeft veel weg van componeren zoals ik mij componeren voorstel. Tegelijkertijd hebben schrijvers het misschien nog wel moeilijker, want zij moeten zich aan allerlei beperkingen houden, die steeds talrijker worden naarmate je vordert. Er komen steeds meer details bij, rond het leven van je personages, en dat moet allemaal consistent zijn.
Niet alleen de titel van je roman, maar ook de hoofdstuktitels zijn erg beknopt: veelal coderingen die wetsartikelen of muziekstukken aanduiden, muziekmaten, adressen, data of tijdstippen. Bovendien wordt het verhaal dat ‘verdachte’ vertelt afgewisseld met allerlei losse passages uit historische teksten over Scarlatti en met officiële rapporten en brieven omtrent de rechtszaak. Heb je bij de opbouw van je boek bewust deze fragmentarische vorm gekozen?
De meeste hoofdstukken hebben inderdaad nummers. Dat is om aan te geven hoe in een tijd waarin avonturen procedures zijn geworden de zaken zo snel gaan dat ze geabstraheerd moeten worden, nummers krijgen. Dat begint al bij ‘Diana’ die nummer 4 is in de peepshowcarrousel, en eindigt met het noemen van het (overigens bestaande en autobiografische) parketnummer. In de verhaallijn die loopt van oproep tot verhoor hebben de hoofdstukken slechts hele beknopte woorden als ‘Titel’, ‘Verhoor’, ‘Bekentenis’, ‘Vergelding’ – woorden die eveneens weinigzeggende abstracties zijn. Er vindt een soort anonimisering plaats op alle fronten. Voor de titel koos ik omdat het een beetje speelt met de meerduidigheid van Art., als wetsartikel, maar ook als consumptieartikel, alsof een boek ook een artikel nummer zoveel is. (‘Dit artikel is nog niet verschenen’, stond er een tijdje bij Bol.com voordat het boek verscheen). En dan natuurlijk het Engelse woord voor kunst. Het is aardig om te zien hoe zulke uiteenlopende zaken als wetsartikelen en kunstwerken elkaar toch blijken te raken. Zo ontdekte ik op taalgebied, op woordniveau, nog wat aardigs. Aan het einde komt dat woordje ‘Fine’, dat natuurlijk gewoon einde betekent, maar het kan evengoed zijn in de zin van ‘boete’, en het verwijst ook naar Victoria die soms - zoals die meiden dat kunnen doen - ineens op Engels jargon overgaat en ‘that’s fine’ roept. Alsof zij in dat laatste woord nog één keer antwoordt. De historische lijn – de cursiefstukjes rond Scarlatti – functioneren denk ik een beetje als de klassieke ‘reien’ in toneelstukjes. Die passages hebben iets encyclopedisch, terwijl de inhoud juist erg speculatief is. Die fantasie (Scarlatti had relatie met Maria Barbara) wordt gepresenteerd als historisch feit, dat zich weerspiegelt in het heden (Sebastiaan – Rosina), maar het kan evengoed het heden zijn dat door Sebastiaan geprojecteerd wordt op het verleden, dat immers begraven ligt onder een aardbeving.
Hoe ga je om met de druk nu je – na je succesvolle debuut – met een tweede boek moet komen?
Die druk ervaar ik vreemd genoeg nauwelijks. De uitgever loopt ook nog niet met contracten te zwaaien. We hebben het er nog niet over gehad. Eerst moeten de naschokken van Art. 285b tot rust gekomen zijn, daarna kan ik met leeg hoofd weer achter de schrijftafel gaan zitten. Met een beetje geluk zou ik kunnen klaarspelen om meer tijd voor het schrijven te hebben. Dit eerste boek moest geschreven worden in gestolen uurtjes naast een fulltime baan. Stel je voor dat je elke dag jezelf helemaal kunt onderdompelen in een roman. Die kan alleen maar stukken beter worden dan wat ik tot nu toe schreef. Ik vind A.F.Th. wel grappig, om met een krankzinnige waslijst aan titels in voorbereiding te komen. Je moet jezelf onder druk zetten, je ambities niet te laag stellen. Anderzijds moet je ook in staat en bereid zijn bijtijds met het schrijven te stoppen, als het klaar is. Maar hoeveel boeken? Ik heb werkelijk geen idee. In elk geval zal niets lijken op het voorafgaande, anders ben je met een herhalingsoefening bezig.
Dit interview verscheen eerder in Bunker Hill 36, jaargang 9, februari 2007